Op een zonnige namiddag in december ontmoet ik L. aan de UHasselt. Ze is 21 jaar en zit in het tweede jaar van haar rechtenstudie. “Dat was eigenlijk niet het plan,” klinkt het. “Ik wou criminologie of psychologie studeren, maar na een proefles rechten was ik helemaal verkocht. Na het middelbaar had ik echt nood aan stimulerend en uitdagend onderwijs, en dat vond ik hier helemaal in terug.”
L. combineert haar studie met de zorg voor haar moeder én vader. “Maar eigenlijk ben ik al mijn hele leven een jonge mantelzorger,” zegt ze. “Normaal zorgen ouders voor hun kinderen, maar bij ons was het vanaf het begin omgekeerd.”
Op kot, maar nooit ver weg
L. woont op kot in Hasselt, maar in het weekend keert ze terug naar huis. “Als ik thuis zou wonen, zou het gewoon niet lukken om te studeren. Ik zou geen moment voor mezelf hebben of ruimte om mijn examens voor te bereiden. Daarom zit ik op kot, anders kon ik dat niet combineren “
L. heeft een oudere broer van 26 jaar en haar ouders zijn gescheiden. Haar moeder heeft verschillende depressies gehad en haar vader kampt met ernstige hartproblemen. “We houden van elkaar, maar het is niet altijd een gezonde gezinsdynamiek geweest,” zegt L. eerlijk. “Ik ga in het weekend iets meer naar mijn moeder dan naar mijn vader, omdat het moeilijker is om tegen mijn moeder te zeggen dat ik niet kom. Mijn vader begrijpt het beter, maar allebei verwachten ze dat ik er ben.”
In het weekend doet ze boodschappen voor hen, gaat ze naar de apotheek en doet ze het huishouden. “Maar het grootste deel is mentale steun geven,” legt ze uit. “Er voor hen zijn, luisteren en hen door moeilijke momenten heen helpen. Vooral de hulp die mijn moeder nodig had, kwam vaak bij mij terecht. Ik moest luisteren naar haar verhalen, haar geruststellen als ze angstig was en haar helpen als ze vastliep in haar gedachten. En dat al vanaf dat ik zelf nog maar een kind was.” Maar L. is ook het eerste aanspreekpunt en de contactpersoon van beide ouders. “Als de psycholoog van mijn moeder haar niet kan bereiken, dan bellen ze mij. Alsof ik de tussenpersoon ben tussen mijn moeder en de hulpverlening. En toen mijn vader tijdens de examenperiode in het ziekenhuis terechtkwam, belden ze mij om alles te bespreken. Dat voelt soms wel raar, want ik ben hun dochter en niet hun begeleider.”
Jonge verantwoordelijkheid
Toen L. 17 was, kreeg haar moeder een beroerte. “Plots was alles anders. Ik was letterlijk een soort moeder voor mijn eigen moeder. Ik zorgde ervoor dat ze at, dat ze haar medicatie nam en dat ze niet de hele dag in bed bleef liggen. Terwijl mijn leeftijdsgenoten zich druk maakten over hun examens of uitgaan, zat ik te bellen met dokters en hulpverleners. En ik moest mijn rijexamen er door afzeggen. Iets wat ik tot op de dag van vandaag nog niet opnieuw heb ingepland.”
De situatie bij haar vader was niet minder zwaar. In 2020 kreeg hij een hartstilstand. “Mijn broer en ik hebben hem gereanimeerd. Ik was toen 16 jaar. Ik had nog maar pas op school geleerd hoe je dat moest doen, en plots doe je het op je eigen vader. Mijn vader heeft het overleefd, en daar ben ik ontzettend dankbaar voor. Het heeft wel iets met mij gedaan, maar het heeft me ook laten zien dat ik in een crisis kan handelen. Ik kan sterk zijn als het moet.”
L. was altijd de contactpersoon voor het ziekenhuis, ondanks dat haar broer ouder is. “Ik weet niet waarom dat zo gegaan is, maar ik was degene die belde, die vragen stelde en die beslissingen hielp nemen. Ik heb zelfs samen met mijn vader zijn testament opgesteld, voor het geval dat. Dat je daar op je 18de mee bezig bent… Dat is niet iets wat een doorsnee tiener of twintiger meemaakt. Ik ben me er wel van bewust dat het voor velen niet ‘normaal ‘is, maar tegelijk is het ook een soort van normaal voor mij geworden. Ik ken niet anders.”
“Normaal zorgen ouders voor hun kinderen, maar bij ons was het vanaf het begin omgekeerd.”
Een onmogelijke combinatie
De combinatie van mantelzorg en studeren is zwaar. Ze herinnert zich een moment tijdens de examenperiode toen haar vader in coma lag in het ziekenhuis. “Ik ben elke avond met de auto naar Leuven gereden vanuit Hasselt, terwijl ik eigenlijk moest blokken voor mijn examens. Ik kon maar een kwartiertje blijven omdat de bezoektijd beperkt was. Ik heb toen gebeld met de studiedienst om te vragen wat ik moest doen, want ik ging zo niet slagen. Er waren niet echt opties buiten het examen twee weken later maken, maar dan was mijn vader mogelijks nog niet uit het ziekenhuis. Ik heb toen besloten om een vak te laten vallen. Ik had geen andere keuze. Het voelde wel degelijk aan als falen, ook al weet ik rationeel dat het niet zo is.”
Meer flexibiliteit zou welkom zijn, al beseft L. dat dit niet altijd makkelijk is. “Toen mijn vader in het ziekenhuis lag heb ik mijn professor gemaild met de vraag of ik uitstel kon krijgen voor een taak die die week af moest. Hij zei dat dat niet mogelijk was en dat hij geen uitzonderingen kon maken. Ik vond dat echt verschrikkelijk, want het voelde alsof mijn situatie niet serieus genomen werd. De universiteit gaat ervan uit dat school je grootste prioriteit is, en zo wordt het hele traject ook opgesteld. Je moet beschikbaar zijn, je moet gemotiveerd zijn en je moet presteren, maar het houdt geen rekening met studenten die ook nog andere verantwoordelijkheden hebben. Ze bedoelen het niet slecht, maar ze begrijpen gewoon niet dat er momenten zijn waarop school niet op de eerste plaats kan komen.”
Op advies van haar eigen psycholoog probeert L. minder naar huis te gaan en grenzen te stellen door wat afstand te nemen. “Na elk bezoek was ik helemaal uitgeput, niet alleen fysiek maar vooral mentaal. Het zijn ook soms de kleine dingen die zwaar wegen. Momenten waarop je net helemaal in je boeken zit, en dan breekt die andere wereld plots binnen. Dan moet je switchen van student naar mantelzorger. Dat kost energie, meer dan mensen denken.” En toch staat ze hier, met een voorzichtige glimlach. “Ik zit in mijn tweede jaar rechten, ik haal goede punten en ik heb vrienden gemaakt. Soms vergeet ik dat even, maar als ik terugkijk op de afgelopen jaren, dan ben ik eigenlijk best wel trots op mezelf. Niet iedereen zou dit volhouden.”
Tussen schaamte en openheid
De vriendengroep van L. is op de hoogte van haar zorgsituatie. “Ik ben hier heel open over tegen de meeste mensen. Vooral over de situatie met mijn moeder, daar praat ik gemakkelijker over dan over mijn vader.” Toch zit er ook schaamte. “Ik kan mijn vrienden niet meenemen naar huis. Het is geen verzorgde woning en geen huiselijke omgeving waar je trots op bent. Ik had een tijdje geleden een korte romantische relatie en ik durfde hem niet mee te nemen naar huis. Ik dacht: hoe kan ik die persoon ooit voorstellen aan dit alles?”
Ze ziet het verschil met anderen dagelijks. “Er zijn studenten die thuis in de watten gelegd worden tijdens examens. Ouders die snacks brengen naar hun kot, die ontspanning plannen na de examens of die alle zorgen uit handen nemen zodat hun kind zich alleen maar moet focussen op studeren. Die hele dynamiek van ‘ouders zorgen voor kinderen’ die voor hen zo vanzelfsprekend is, heb ik nooit gekend. Het is niet dat ik jaloers ben, maar het voelt soms wel erg oneerlijk. Dan voel ik me soms wel verdrietig dat ik dat gemist heb.”
Toch zijn er ook lichtpuntjes. Haar vrienden zijn een belangrijk steunpunt geworden. “Ik heb een hele fijne vriendengroep gevonden die me echt begrijpt. Ze vragen hoe het gaat, ze accepteren het als ik moet afzeggen, en ze weten wanneer ik gewoon afleiding nodig heb en wanneer ik moet praten. Zo’n vangnet is goud waard.”
“De regering is aan het besparen op zorg, op ondersteuning en op alles wat mensen zoals ik en mijn ouders nodig hebben. Dat maakt mij bang.”
Op eigen benen staan
De universiteit heeft een mantelzorgstatuut, maar L. heeft het niet aangevraagd. “Ik weet niet precies wat het inhoudt en welke voordelen of ondersteuning je krijgt. Ik ben redelijk perfectionistisch en ik wil niet het gevoel hebben dat ik zwakker ben of meer hulp nodig heb dan anderen. Mantelzorg heeft mij heel zelfstandig gemaakt, waardoor ik het gevoel heb dat ik op een manier toch controle heb over mijn situatie. Al vraag ik me soms af of ik mezelf niet tekort doe door die hulp niet te vragen.”
L. moet haar studie zelf financieren. Haar vader is met pensioen en haar moeder heeft geen inkomen naast de alimentatie die ze ontvangt. “Ik krijg wel een studietoelage, en daar ben ik dankbaar voor, maar ik heb het voorbije jaar voornamelijk geleefd van mijn spaargeld. Ondertussen heb ik een studentenjob, maar dat komt er natuurlijk weer bovenop.”
L. maakt zich dan ook vaak zorgen over de toekomst, vooral met de besparingen die de regering doorvoert. “De regering is aan het besparen op zorg, op ondersteuning en op alles wat mensen zoals ik en mijn ouders nodig hebben. Dat maakt mij bang. Straks is er nog minder hulp beschikbaar, en dan valt alles op mij. Het zou gewoon heel erg helpen als ik me geen zorgen moest maken om geld, zodat ik me kan focussen op mijn studie en niet constant moet kiezen tussen mijn toekomst en hun welzijn.”
Eigen gezondheid op de tweede plaats
“Mijn eigen gezondheid komt vaak op de tweede plaats,” geeft L. toe. “Afspraken voor mezelf worden uitgesteld of afgezegd voor afspraken van mijn ouders. Als mijn moeder naar de dokter moet en ik ook een afspraak heb, dan ga ik met haar mee en verzet ik de mijne. Dat lijkt logisch op het moment zelf, maar achteraf denk ik: waarom doe ik dat? Waarom is hun gezondheid belangrijker dan de mijne?”
Ze heeft het laatste jaar geregeld last van migraine, maar naar de dokter gaan blijft moeilijk. “Het is heel moeilijk om naar de dokter te gaan als niemand je daarbij begeleidt. Dat klinkt misschien gek voor iemand van 21, maar als je altijd de zorgverlener bent geweest, dan vergeet je hoe je zelf hulp moet vragen. Dan voelt het bijna egoïstisch om tijd te nemen voor je eigen klachten. Ik weet dat ik die migraine serieus moet nemen, maar telkens als ik wil bellen voor een afspraak, dan bedenk ik honderd redenen waarom het nu niet kan. Omdat ik moet studeren, omdat mijn moeder me nodig heeft of omdat het toch wel weer over zal gaan. En zo schuif je het voor je uit, tot het echt niet meer gaat.”
“Maar ik heb er ook veel door geleerd,” klinkt het. “Ik heb geleerd dat ik veel aankan. Ik ben ontzettend zelfstandig geworden, ik kan goed omgaan met stress en ik kan plannen en organiseren zoals weinig mensen van mijn leeftijd dat kunnen. Ik ben empathisch en ik zie dingen die anderen niet zien. Als iemand in nood is, dan merk ik dat. Dat is ook iets moois, denk ik. Het is niet alleen maar negatief.”
“Ik ben verantwoordelijk en sta sterker in mijn schoenen dan veel van mijn leeftijdsgenoten. Ik kan dingen aan die anderen nog nooit hebben hoeven doen. Dat maakt me misschien anders, maar ook bijzonder.”
Een toekomst tussen verdriet en opluchting
Als L. over de toekomst praat, klinkt er een mix van verdriet, opluchting en schuldgevoel. “Natuurlijk wil ik mijn ouders erbij hebben bij grote gebeurtenissen in mijn leven. Mijn afstuderen, misschien mijn huwelijk ooit of kinderen als ik die krijg. Ik wil dat ze daar deel van uitmaken en dat ze trots op me zijn. Maar tegelijk… als ze er niet meer zijn, dan hoef ik me daar tenminste geen zorgen meer over te maken. Ik weet dat dat een heel vreemde gedachte is om te hebben over je eigen ouders. Soms schaam ik me daarvoor. Maar een deel van mij kijkt uit naar een toekomst waarin ik niet meer verantwoordelijk ben voor hun welzijn, waarin ik gewoon mijn eigen leven kan leiden zonder constant te moeten zorgen.”
Ondertussen bouwt L. aan haar eigen toekomst en die van anderen. Ze is activiste en betrokken bij een studentenorganisatie. Vanuit de universiteit organiseert ze een collectieve blok: een week studeren op verplaatsing mét overnachting, speciaal voor studenten die dat thuis niet kunnen. “Er wordt voor hen gekookt, er is structuur en rust… en dat allemaal voor een lage prijs. We willen het toegankelijk houden. En studenten die het echt niet kunnen betalen, krijgen een aangepast tarief omdat anderen die het zich kunnen veroorloven een beetje extra geven.”
Het is haast ironisch: terwijl L. al haar hele leven voor anderen zorgt, blijft ze manieren zoeken om nóg meer voor anderen te betekenen. Door haar mantelzorgervaring weet ze precies wat mensen nodig hebben. “Zorgzaamheid is een hele mooie eigenschap, en daar ben ik ook trots op. Ik ben verantwoordelijk en sta sterker in mijn schoenen dan veel van mijn leeftijdsgenoten. Ik kan dingen aan die anderen nog nooit hebben hoeven doen. Dat maakt me misschien anders, maar ook bijzonder.”
Ze wil anderen inspireren en ondersteunen. “Ik wil echte veranderingen doorvoeren en een verschil maken. Klinkt dat cliché? Misschien wel, maar ik meen het. Ik weet hoe het voelt om alleen te zijn in je problemen, om niet gezien te worden. Ik denk dat wat me drijft is dat ik wil bewijzen dat je niet alleen maar je omstandigheden bent. Ja, ik ben jonge mantelzorger. Maar ik ben ook rechtenstudent, activiste, vriendin en dochter op een andere manier. Ik ben meer dan alleen dat label.”




